|
Met deze publicatie gaat Theater & Educatie
in op de verhouding tussen (podium)kunst en religies, met
name het christendom en de islam in Nederland en Vlaanderen
en daarbuiten. Omdat we het debat noodzakelijk en interessant
vinden en omdat we in de samenleving een toenemende behoefte
signaleren aan bezinning op de traditionele artistieke criteria
en begrippenkaders. Het is in eerste poging om een aantal
opvallende ontwikkelingen in het theaterlandschap van naderbij
te bekijken; heel wat makers besteden expliciet aandacht aan
religieuze kwesties en proberen een eigenzinnig artistiek
antwoord te geven, maar lopen nogal eens vast in bestaande
religieuze vormen en dito symboliek.
In
het eerste deel wordt aandacht besteed aan de verwevenheid
van theatraliteit en religie in de Westerse theater-geschiedenis.
Hoe ver reikt de artistieke vrijheid in religieus opzicht?
Wat zijn de grenzen van de artistieke representatie als het
over religieuze ideeën en symbolen gaat? Wanneer loopt
de artistieke vrijheid het respect voor de ander voor de voeten?
Sommige auteurs, zoals Henk Oosterling, kiezen daarbij voor
een uitgesproken filosofische benadering van de problematiek,
anderen, zoals Jacques de Vroomen en Thomas Crombez, huldigen
een expliciet historische werkwijze.
In
het tweede deel laten diverse Vlaamse en Nederlandse auteurs
hun licht schijnen op de theatrale praktijk, op voorstellingen
die zich verhouden tot religieuze kwesties. Wat is de motivatie
van theatermakers om religieuze of spirituele aspecten in
de inhoud en vormgeving van hun voorstellingen verwerken en
wat zijn de reacties van en effecten op het publiek? Auteurs
als Wouter Hillaert kiezen daarbij voor een panoramische aanpak
en proberen een aantal tendensen in kaart te brengen. De andere
auteurs richten zich op het werk van specifieke theatermakers.
Het
derde deel belicht de verwevenheid van religie, ritueel en
theater in een niet-Westerse, met name islamistische, context.
Mieke Kolk (Theaterwetenschappen Universiteit van Amsterdam)
en haar Arabische collega’s plaatsen de nodige kanttekeningen
bij een aantal misvattingen in het westen omtrent de Arabische
theaterpraktijk. Er wordt aandacht besteed aan de manier waarop
de Soedanese Zar-ritueel – een genezingsritueel - theatraal
ingevuld wordt en eerder een sociaal dan een religieus belang
heeft.
Dit nummer is mede tot stand gekomen dankzij het Radboudfonds
en het Prins Bernhard Cultuurfonds.
|